Nieuwsflits 17

“Klik”, de zaklamp laat zijn licht schijnen op het donkere pad voor me. Zonder licht is de kans groot te struikelen over keien of kapotte voorwerpen. Vlak voor de hut blijf ik staan. “Hoor ik daar de stem van de buurvrouw?” “Nee, het zijn alleen kinderstemmen.” Op dat moment besluit ik te roepen. Ik roep: “Rachel, Rachel”. Eerst hoor ik niets. Misschien dat de spanning aan de andere kant van de deur stijgt. “Wie komt daar in het donker naar hun huis, terwijl mama niet thuis is?” Even later gaat de deur toch voorzichtig open. Waarschijnlijk hebben ze mijn stem herkent. “Is mama thuis?” vraagt ik als controle op mijn zojuist genomen conclusie. “Nee,” luidt het antwoord. “Mag ik even binnenkomen? Dan lees ik jullie een boek voor.” Voordat ik de deur binnenga, zie ik een beest liggen. Het lijkt een leguaan, maar het donker verhindert me om het goed te zien. “Wat is dat,” vraag ik. “Oh, een leguaan. Mijn oom heeft die gevangen.” Het diertje ligt daar. De poten zijn vastgebonden, zodat hij niet kan ontsnappen. Ja, hij leeft nog. Zonder koelkast gaat het lichaam te snel tot ontbinding over.
Ik ben blij voor hen. Een heerlijke maaltijd. Dat kunnen ze wel gebruiken. De kinderen zijn mager. Leguanen worden ook wel boomkippen genoemd. Inderdaad, een leguaan smaakt als een kip. Even later zit ik op een kruk met voor me vijf geïnteresseerde luisteraars. Af ten toe komt er iemand bij me staan. Ik denk om een aai over de bol. Een aanraking. Zo heel eenvoudig, maar broodnodig.

Ik hoor de deur opengaan en moeder verschijnt. Spanning. Hoe zal ze het vinden dat ik in haar huis ben?
Ze groet niet. Ook daarna lijkt ze boos te zijn. Waarom? Ik weet het niet. Misschien om mijn bezoek, maar het kan ook een andere reden hebben. Ik probeer haar boosheid af te leiden door over school te praten. Tegelijkertijd kan ik dan zien of de boosheid met mij te maken heeft.

Verdrietig loop ik, met zaklamp, terug naar huis. Medelijden dreef me zojuist naar de overkant. Overdag was de buurvrouw al zolang weggeweest en ik vermoedde dat ze ’s avonds alweer weg was. Moeder gaat vaak naar de stad. De kinderen blijven achter. Vader komt af en toe thuis, maar was er nu ook niet. Ik kan me niet voorstellen dat dit het welzijn van kinderen bevordert en dus wilde ik hen bijstaan in hun kruis. Ik weet de uitwerking van mijn bezoek niet, maar ik bid dat de relatie met de buurvrouw goed zal blijven. Zij is uiteindelijk degene die de kinderen wel of niet toestaat om contact met ons te hebben. En geen contact betekent, naar de mens gezien, geen Evangelie voor hen.